Nietzsches handleiding voor de kunstenaar.
Nietzsches handleiding voor de kunstenaar.
Is er Nietzscheaans een onderscheid te vinden tussen
kunstenaars, zoals er een te vinden is tussen mensen in het algemeen? Aan de
ene kant zijn er de mensen die niet streven naar een betere versie van
zichzelf. Aan de andere kant zijn er de mensen die dat wel doen, de mensen die
geloven in het leven als absolute waarde. Zijn er kunstenaars die schoonheid
produceren gewoon om schoonheid te produceren zonder idee van een absolute waarheid?
Of moet je als kunstenaar aanhanger zijn van een absoluut kunstenaarsgeloof?
Deze absolute
waarheid is de basis.
Een
voorbeeld van een hogere orde is godsdienst. Godsdienst is vandaag de dag als
absolute waarheid verdwenen. Volgens Nietzsche is de westerse mens niet meer
capabel om in een hogere orde der dingen te geloven. Het onvoorwaardelijke
geloof is stervende. God is dood. Nietzsche zet het leven zelf als absolute
waarde centraal. Alles aan het leven moet de moeite waard zijn. Hier slaag je
niet in een dag in. Het is een groeiproces.
Blijven
streven naar een betere versie van jezelf (verticaliteit) is voor Nietzsche dus
de enige juiste levenshouding. Ook voor de kunstenaar is dit geldig. Hij noemt
dit het kunstenaarsgeloof. Het is duidelijk dat kunstenaars zich altijd hebben
laten inspireren door iets wat ze als absolute waarheid aanzagen (Griekse
tempels, afbeeldingen van de kruisafname, etc.). Waarin gelooft de kunstenaar
vandaag, nu God dood is?
De
kunstenaar moet niet streven naar het produceren van zo veel mogelijk
schoonheid. Hij moet er naar streven weer te kunnen geven wat voor hem de
absolute waarheid is. Aangezien deze waarheid absoluut is, zal dit automatisch
schoon zijn. Zo zijn bijvoorbeeld de Griekse tempels schoon, omdat ze gebouwd
zijn voor goden. De schoonheid was niet initieel de bedoeling, het kwam er
gewoon bij kijken omdat de goden perfect zijn en de tempels dat dus ook moesten
zijn.
De
hedendaagse kunstenaar zal zijn eigen kunstenaarsgeloof moeten stichten. Dit
heeft in deze eeuw een pijnlijk gevolg. Het houdt immers in dat de kunstenaar
een kluizenaarsleven moet lijden. Dat is het logisch gevolg van het
kunstenaarsgeloof. Hij moet in staat zijn in zijn eigen absolute waarheid te
geloven. Als mensen al niet meer in staat zijn te geloven in een god, in een
alomvattend, oppermachtig wezen, hoe kunnen we dan verwachten dat een
toeschouwer de absolute waarheid van een kunstenaar, weergegeven in zijn werk,
kan begrijpen?
Dit betekent
dus dat hij zo goed als de hele wereld achter zich moet laten, aangezien de
mensen niet meer in staat zijn te geloven in ‘een hogere orde der dingen’. Hij
moet er mee leren leven om niet begrepen te worden. Hij zal merken dat zijn
werken slechts met een nostalgie kunnen bekeken worden door de mensen die niet
meer in staat zijn het grotere geheel te zien en er in te geloven zoals de
kunstenaar dat doet. Op deze manier wordt hij onvermijdelijk een kluizenaar,
een eenzaat die overtuigd is van een absolute waarheid en die wil weergeven in
zijn werk.
Reacties
Een reactie posten