De relatie tussen de kunstenaar en zijn toeschouwers (1)
DE RELATIE
TUSSEN DE KUNSTENAAR EN ZIJN TOESCHOUWERS (1)
Aan de hand van Gadamer en
Houellebecq.
The suspension of disbelief
Een
kunstenaar mag van zijn toeschouwer slechts één ding verwachten. De toeschouwer
moet wat zijn eigen realiteit is, kunnen omruilen voor de realiteit van de
kunstenaar. Een man met een kroon op een podium, is een koning. Verdere vragen
hoeven daar niet bij gesteld te worden. Op zich lijkt dit een simpele opdracht,
maar dat blijft het niet. Wanneer de kunst probeert via een alternatieve
werkelijkheid op een doek of een podium, kritiek te geven op de realiteit, moet
een toeschouwer dit kunnen relateren aan die realiteit. Hier wordt er meteen
van de toeschouwer verwacht dat hij deze link kan leggen. Door het tonen van
een alternatieve werkelijkheid, die alleen kan begrepen worden door het
uitschakelen van de eigen werkelijkheid, moet de eigen werkelijkheid beter
begrepen worden. Dit is geen simpel proces en klinkt ergens als een soort
escapisme. Een escapisme in cultuur, waar de kunstenaar de gids moet zijn.
Dit is wat ik concludeer uit de
filosofie van Gadamer. De relatie tussen een kunstenaar en de toeschouwer is
als een spel. De kunstenaar bepaalt de spelregels en als toeschouwer heb je de
keuze om je aan de regels te houden en mee te spelen, of de regels aan je laars
te lappen.
De toeschouwer moet de
kunstenaar dus volgen om iets op te steken van de ervaring. Kunst die niets
teweegbrengt bij een toeschouwer heeft immers niets te betekenen. Zo herinner
ik mij een stilleven van een appel, een peer en een paar bomen dat in de
raadszaal van het districtshuis van Borgerhout staat. Als dat de kunst is die
een stadsbestuur moet inspireren, zal het er de komende termijnen niet veel
beter aan toe gaan. Puur voor het genot naar kunst kijken, is een mogelijkheid
die intussen lang voorbijgestreefd is. L’art
pour l’art est passé en wel om de volgende redenen.
Gewoon kunst, werkt niet meer.
Een grote speler hierin is de
commercialisering van de kunst. Kunst moet geld opbrengen. Zowel voor de
kunstenaar als voor de ‘kunstverdeler’, een galeriehouder of
platenmaatschappij. In de kunstenaar zijn geval gaat het in de eerste plaats om
zijn levensonderhoud, zeker als hij geen ander beroep heeft. We kunnen immers
stellen dat we in een samenleving leven die sterk neigt naar een meritocratie.
Iemand die al zijn tijd wil steken in het maken van kunst, neemt een enorm
risico. De kans dat hij in financiële (en daardoor sociale e.a.) impasses
geraakt, is vandaag erg groot, wanneer iemand zijn beroep laat vallen. Hier is
dan nog niet eens rekening gehouden met de investeringen die een kunstenaar
moet maken. Wat mij op z’n zachtst gezegd verbaasde, was dat het merendeel van
de leerlingen van De!Kunsthumaniora aangaf in eerste instantie de stap naar
kunstenaar als enig beroep niet te willen zetten. Heel verwonderlijk is dat aan
de andere kant natuurlijk niet.
Voor Michel Houellebecq is deze
stap, en de impasse die het waarschijnlijke gevolg is, een must. Een kunstenaar
kan alleen scheppen vanuit lijden. De wereld is vrij, wat onherroepelijk leidt
tot lijden. Als kunstenaar moet je dat lijden bewust beleven om daaruit te
scheppen. Ik ben het met hem eens dat lijden ontegensprekelijk een van de
krachtigste drijfveren van de kunstenaar is.
Deze theorie komt in onze
samenleving misschien wel tot zijn recht. Zoals ik al eerder heb geschreven in
mijn post over Nietzsche, wordt de kunstenaar in onze samenleving in een
‘kluizenaarspositie’ gedreven. Dit past in het beeld van de ‘romantische’
lijdende kunstenaar, die zich niet op zijn plaats voelt en zich ongewenst
waant. Een kunstenaar die schept vanuit het lijden door zijn maatschappelijke
uitsluiting, zou wel eens zeer bijzondere kritiek kunnen brengen op die
maatschappij. De vraag blijft uiteraard of het nodig is om een extreme vorm van
lijden te ondergaan om kunst te maken. Maar ging het niet om kunst die iets
teweegbrengt bij de toeschouwer? Ik voel me top en ik heb tijd zat dus ik
schilder een peer, een appel en een paar bomen. Misschien is een lijden
inderdaad de enige krachtige bron van inspiratie. Ik denk wel dat een
kunstenaar dit lijden niet per se zelf moet ondergaan. Medelijden kan even goed
een drijfveer zijn.
In deze post heb ik kunst en
haar beleving niet in een individuele context aan bod laten komen. De opdracht
van de toeschouwer heb ik hier gereduceerd tot het herkennen van de problemen
van de maatschappij waar hij of zij deel van uitmaakt. Het lijden dat de
kunstenaar tot scheppen aanzet, heb ik gereduceerd tot de maatschappelijke
impasse. Natuurlijk is dit niet het totaalpakket. Ik volg Gadamer (en ook
Houellebecq): het individuele speelt een grote rol in het beleven van kunst. Dit
geldt voor zowel kunstenaar als toeschouwer. Hier zal ik het in een volgende
post nog over hebben.
Ik ben het grotendeels met je eens. Ik stel me alleen vragen over de positie van het lijden. Lijden kan inderdaad een zeer goede drijfveer zijn, maar dat hoeft niet per se. Als ik mijn extreem dramatische gedichten lees uit periodes dat ik mij slecht voelde, krijg ik de behoorlijk ongezonde drang om mijn ogen uit te steken. Lijden is dus niet altijd een vruchtbare voedingsbodem voor kunst. Bovendien lijkt het me ook niet de enige optie. Als ik namelijk nog maar denk aan het (ondertussen al bijna mythische) schilderij van het districtshuis van Borgerhout, word ik zo kwaad dat ik onmiddellijk een beter schilderij zou willen maken. (Misschien moet ik dat schilderij cadeau doen aan het district)
BeantwoordenVerwijderenWat ik eigenlijk wil zeggen is dat er volgens mij ook andere (en niet per se slechtere) drijfveren zijn om te beginnen scheppen. Wat wel erg belangrijk is, is, zoals Chloë ook al in een blogpost geschreven heeft, de innerlijke drang om te scheppen.